Automatische nivellering

Plaats het meetgereedschap op een horizontale, vlakke ondergrond en bevestig het op de houder (16) of het statief (11). Om met automatische nivellering te werken, moet de onderkant van het meetgereedschap horizontaal en met de statiefopname (6) omlaag uitgelijnd zijn.

Na het inschakelen compenseert de automatische nivellering automatisch oneffenheden binnen het zelfnivelleerbereik van ±4°. De nivellering is afgesloten, zodra de laserlijnen niet meer knipperen.

Als de automatische nivellering niet mogelijk is, bijv. omdat de onderkant van het meetgereedschap meer dan 4° van de horizontale lijn afwijkt of omdat het meetgereedschap vrij in de hand wordt gehouden, dan knipperen de laserlijnen permanent in een langzaam ritme en het meetgereedschap werkt zonder automatische nivellering. De laserlijnen blijven ingeschakeld, de beide gekruiste lijnen lopen echter niet meer dwingend in een rechte hoek ten opzichte van elkaar. Om te garanderen dat de twee laserlijnen verder in een rechte hoek ten opzichte van elkaar lopen, plaatst u het meetgereedschap orthogonaal (loodrecht) op de muur.

Om weer met automatische nivellering te werken, plaatst u het meetgereedschap zodanig dat de onderkant horizontaal is uitgelijnd en wacht u de zelfnivellering af. Zodra het meetgereedschap zich binnen het zelfnivelleerbereik vann ±4° bevindt en is genivelleerd, branden de laserlijnen weer permanent.

Bij schokken of veranderingen van positie tijdens het gebruik wordt het meetgereedschap automatisch opnieuw genivelleerd. Controleer na een hernieuwde nivellering de positie van de horizontale of verticale laserlijn met betrekking tot de referentiepunten om fouten door een verschuiving van het meetgereedschap te vermijden.